Vacuüm reinigen

Wat is het?

Vacuüm reinigen betreft enerzijds het opzuigen van vloeistoffen, sludges, olieresten en ook droge stoffen, waarbij altijd gebruik gemaakt wordt van een vacuümwagen. Anderzijds worden vloeistoffen, sludges en olieresten onder druk verplaatst (geperst) of leeggedrukt uit installaties. Daarnaast wordt de vacuümtechniek ook steeds vaker gebruikt bij het oplossen van milieu-incidenten. Bijvoorbeeld in geval van een lekkende leiding of lekkende opslagtank waarbij een (dreigende) bodem- en grondwater verontreiniging kan plaatsvinden.

OplossingenFysieke belastingGeluidGevaarlijke stoffen
BronKraanarm aan vacuümwagenMinst belastende methode van vacuüm reinigen 
  Juiste slang 
  Geluidsarme motor van de pomp 
TechnischAanleggen vaste leidingenVerkorting blootstellingsduurHet voorkómen van gasexplosies
 Slanghaspel op vacuümwagen Het voorkómen van stofexplosies
   Werken in een ruimte met gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand en explosie (Vacuüm reinigen)
   Emissie van vluchtige gevaarlijke stoffen
   Werkvergunning of werkopdracht (Vacuüm reinigen / Mechanisch reinigen / Stralen)
OrganisatorischGoede voorbereidingAfstand nemen van geluidsbronTaak risico analyse (TRA)
 Taakcombinatie / taakroulatieTaakroulatieLMRA
 Opleiden ergocoaches  
 Toezicht op gezond werkgedrag  
PersoonsgebondenTraining fysieke belastingGehoorbescherming 
 Goed gebruik van hulpmiddelen  
PBM  Persoonlijke beschermingsmiddelen (Vacuüm reinigen)
   Adembescherming
 

Voorbeelden van oplossingen voor Fysieke belasting bij Vacuüm reinigen

Technisch

  1. Aanleggen vaste leidingen
  2. Kraanarm aan vacuümwagen (bronaanpak)
  3. Slanghaspel op vacuümwagen

Organisatorisch

  1. Goede voorbereiding
  2. Taakcombinatie / taakroulatie
  3. Opleiden ergocoaches
  4. Toezicht op gezond werkgedrag

Persoonsgebonden

  1. Training fysieke belasting
  2. Goed gebruik van hulpmiddelen

Voorbeelden van oplossingen voor Geluid bij Vacuüm reinigen

Bron

  1. Minst belastende methode van vacuüm reinigen
  2. Juiste slang
  3. Geluidsarme motor van de pomp

Technisch

  1. Verkorting blootstellingsduur

Organisatorisch

  1. Afstand nemen van geluidsbron
  2. Taakroulatie

Persoonsgebonden

  1. Gehoorbescherming

Voorbeelden van oplossingen voor Gevaarlijke stoffen bij Vacuüm reinigen

Technisch

  1. Werkvergunning of werkopdracht (Vacuüm reinigen / Mechanisch reinigen / Stralen)
  2. Het voorkómen van gasexplosies
  3. Het voorkómen van stofexplosies
  4. Werken in een ruimte met gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand en explosie (Vacuüm reinigen)
  5. Emissie van vluchtige gevaarlijke stoffen

Organisatorisch

  1. Taak risico analyse (TRA)
  2. LMRA
  3. Werkvergunning of werkopdracht (Vacuüm reinigen / Mechanisch reinigen / Stralen)
  4. Het voorkómen van gasexplosies
  5. Werken in een ruimte met gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand en explosie (Vacuüm reinigen)

PBM

  1. Adembescherming
  2. Persoonlijke beschermingsmiddelen (Vacuüm reinigen)

Het is zaak om zoveel mogelijk maatregelen te nemen die de blootstelling aan gevaarlijke stoffen terugdringen. Toch zal het in de meeste gevallen nodig zijn om persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) te verstrekken en te dragen, zowel bij het reinigen, als bij het lossen en daarna bij het tankreinigen. De PBM’s zijn CE-gemarkeerd en dienen conform de  Europese verordening 2016/425 te zijn gecertificeerd. Op grond van een risicobeoordeling en de betreffende SDS wordt in werkvergunning, werkopdracht of  werkprocedures vastgelegd welke PBM’s moet worden gedragen.

Bij het zuigen van vloeistoffen moet rekening worden gehouden met de emissie van vluchtige gevaarlijke stoffen die schadelijk zijn voor mens en milieu. Hoe groter de luchtverplaatsing en hoe groter de onderdruk, des te meer de vluchtige stoffen tijdens het zuigproces worden verwijderd en via de afblaas worden afgevoerd. De emissie moet vooraf worden besproken met de opdrachtgever en er moet worden gestreefd naar de werkmethode met de laagste emissie van dampen naar de buitenlucht.

Dit zijn de te nemen maatregelen. Die zijn gerangschikt volgens de arbeidshygiënische strategie. Kies een of meer  maatregelen zo hoog mogelijk in het overzicht en beoordeel of die de gezondheid voldoende beschermen:

  • Alleen met een pomp laden die geschikt is voor de specifieke samenstelling van de op te zuigen stoffen in de installatie. Gebruik bijvoorbeeld geen waterringpomp bij een stof die met water reageert.
  • Dampretour naar installatie van de opdrachtgever toepassen.
  • Afblaasgassen reinigen met een geschikte gaswasser of (kool)filterinstallatie en de uitstoot ervan controleren door metingen.
  • Discontinu zuigen (= inblokken van de pomp): eerst de tank onder vacuüm zetten, dan de pomp uitzetten, de mond van de zuigslang volledig in de vloeistof onderdompelen, de afsluiter openen, de stof de tank inzuigen en als het vacuüm te laag wordt, dan deze cyclus één of meerdere keren herhalen.
  • Luchtverplaatsing minimaliseren door zo min mogelijk lucht mee te zuigen of het toepassen van een lager pompvermogen.
  • Verdamping van de vloeistof minimaliseren door zo min mogelijk onderdruk te creëren;
  • Alleen afblazen naar een veilige locatie, waar zich geen mensen bevinden of zich naar toe begeven;
  • Vaste stoffen vervuild met vloeistoffen en mengsels van stoffen die volgens opgave van de opdrachtgever onder het ADR vallen, mogen alleen met ADR gekeurde vacuüm wagens worden opgezogen.

In sommige ruimten is er door de aanwezigheid of het vrijkomen van gevaarlijke stoffen, gassen of dampen een gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie. In een werkvergunning of werkopdracht  is aangegeven of bij de beschreven werkzaamheden deze risico’s aan de orde zijn.

  • Werken in zo’n ruimte is alleen toegestaan als daarvoor door een bevoegd persoon een werkvergunning is verstrekt, met daarin een overzicht van de te nemen veiligheidsmaatregelen, afgestemd op de specifieke werkzaamheden en risico’s. En als al deze maatregelen op de juiste manier worden uitgevoerd. 
  • In zo’n ruimte mag uitsluitend gewerkt worden door medewerkers die in het bezit zijn van een aantoonbare deskundigheid en vakbekwaamheid die overeenstemmen met de aard en risico’s van de werkzaamheden. Aanvullend kunnen ook opleidingscertificaten vereist zijn, zoals opgenomen in de SSVV opleidingengids. Bijvoorbeeld: Opleiding Adembescherming A, B of C. De werkgever van het reinigingsbedrijf dient vast te leggen welke opleiding en training voor de diverse soorten werkzaamheden vereist zijn en ook welke medewerkers deze met succes gevolgd hebben.

Gevaar voor vergiftiging, bedwelming of verstikking

  • Om vergiftiging, bedwelming of verstikking te voorkomen moet continu de gas- of dampconcentratie en zuurstofgehalte worden gemeten en moet een visuele controle via het mangat altijd worden uitgevoerd met behulp van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen en in aanwezigheid van een tweede persoon. In de werkvergunning of werkopdracht staat omschreven hoe, met welke meter, hoe vaak, door wie en waar gemeten moet worden. Dat is per situatie anders. De vrijgavemeting moet altijd door een gasmeetdeskundige worden uitgevoerd en afgelezen.
  • Voor werkzaamheden in dergelijke ruimten moet een reddingsplan aanwezig zijn dat gevolgd moet worden bij calamiteiten (zie Arbobesluit artikel 3.5g lid 4). Het reddingsplan beschrijft maatregelen, activiteiten en voorzieningen die een bedrijf heeft voorbereid om de effecten van calamiteiten of ongewenste gebeurtenissen te minimaliseren en te bestrijden. Het reddingsplan moet aanwezig zijn op de werkplek en bij de buitenwacht. Alle betrokkenen moeten goed met de inhoud van het reddingsplan bekend zijn. Het reddingsplan moet zijn afgestemd op het noodplan van de opdrachtgever en situatie-specifiek zijn uitgewerkt.
  • Bij de toegang tot de zo’n ruimte met permanent één persoon aanwezig zijn om in geval van nood de noodstop te bedienen en alarm te slaan, en -bv als het slachtoffer niet reageert- om hulpdiensten in te schakelen. Tussen deze persoon en de operator in de ruimte moet bij voorkeur visueel contact te zijn. Als er geen visueel contact mogelijk is of niet tijdens de gehele werkzaamheid, dan moet vooraf worden vastgelegd hoe contact gehouden wordt, bv met radiocontact, fluitje, luchthoorn of ander communicatiemiddel. Deze persoon die de noodstop bedient mag ook de functie van buitenwacht vervullen, als hij daarvoor een geldig SSVV-certificaat heeft en de opdrachtgever daarmee akkoord is. De buitenwacht/mangatwacht  gaat bij een incident nooit de ruimte in maar zal alarm slaan op een manier die van te voren is vastgelegd. Wanneer de ruimte niet veilig kan worden gegeven kan de ruimte alleen betreden worden met onafhankelijke adembescherming om de toestand van het slachtoffer te bepalen en zo nodig Eerste Hulp te verlenen. Als de medewerker niet aanspreekbaar is moet door daartoe opgeleide bedrijfshulpverleners getracht worden de medewerker uit de onveilige ruimte te verplaatsen en eerste Hulp buiten de ruimte te verlenen tot de hulpdiensten arriveren. Houd er rekening mee dat het slachtoffer bij redding via een driepoot of takel kan kantelen in zijn veiligheidsharnas. Hierdoor kan bij onoplettendheid letsel toegebracht worden door obstakels.

Gevaar voor brand of explosie

  • Bij het werken in ruimtes die is aangewezen als ATEX-zones moet de totale slangopbouw bestaan uit het type Ohm-slang.
  • Metalen delen in de slangopbouw zijn een risico bij inzet in explosiegevaarlijke omgevingen. Er bestaat kans op vonkvorming door “metaal op metaal”. Daarom mogen in dergelijke situaties geen metalen delen worden ingebracht. In een TRA moet opgenomen zijn hoe de koppelingen en eventuele andere metalen delen moeten worden beschermd tegen contact met metaal.
  • In een dergelijke ruimte bestaat de kans dat tijdens reinigingswerkzaamheden de concentratie van brandbare of explosieve stoffen (plaatselijk) snel kunnen oplopen en boven de 10% LEL grens kunnen uitkomen. (LEL = Lowest Explosive Limit, oftewel onderste explosiegrens). In ruimtes waar bij aanvang van de werkzaamheden de 10% LEL niet is overschreden, maar waar de kans bestaat dat in het heersende dampmengsel de waarde toch boven 10% LEL kan uitkomen, door bijvoorbeeld het omwoelen van sludges met vluchtige stoffen, moeten beheersmaatregelen worden getroffen, zoals ventileren of inertiseren. (Inertiseren is toevoeging van een inert gas zoals stikstof om een onbrandbare atmosfeer te verkrijgen). Ook zal er dan continu meting en bewaking van de samenstelling van het heersende dampmengsel moeten plaatsvinden. Bij meetwaarden die de vastgestelde grenswaarden overschrijden moeten de werkzaamheden worden gestopt tot dat de meetwaarden beter zijn. Of er moeten andere werkmethoden worden gekozen, waarbij betreding niet nodig is. In de werkvergunning of werkopdracht staat omschreven hoe, met welke meter, hoe vaak, door wie en waar gemeten moet worden.

Alle stoffen die brandbaar zijn, kunnen exploderen onder bepaalde  omstandigheden. Denk onder meer aan alle organische stoffen, zoals suiker, melkpoeder, graan. Of niet organische stoffen als metaalstof, zwavel etc.  De explosiegevoeligheid van stof hangt met name af van de deeltjesgrootte, de stofgeleiding, de concentratie in de lucht, de minimale ontstekingsenergie en de ontstekingstemperatuur.
Om een stofexplosie te krijgen, moet er sprake zijn van een fijn verdeeld poeder. Dit poeder moet vervolgens in de lucht worden opgewerveld. Het opwervelen is noodzakelijk om het poeder te mengen met de zuurstof in de lucht, zodat een stofwolk wordt verkregen.
Daarnaast moet er een ontstekingsbron aanwezig zijn.

Een zeer verraderlijk verschijnsel bij stofexplosies is het verschijnsel van de secundaire explosie. Door de luchtverplaatsing van een eerste, eventueel kleine (stof)explosie kan stof op een andere plaats opgewerveld worden en door de eerste explosie worden ontstoken. Zo'n secundaire explosie is meestal heviger dan de primaire explosie.

Basis voor het voorkómen van stofexplosies is de risicobeoordeling
explosiegevaar, zoals omschreven in het Arbobesluit, artikel 3.5c. 
Het explosieveiligheidsdocument van de opdrachtgever is bij het bepalen van de risico’s en maatregelen daarom van groot belang.
Dit zijn de te nemen maatregelen tegen stofexplosie bij het vacuüm reinigen:

  • het aarden van alle onderdelen;
  • gebruik alleen gecertificeerde Ohm-slangen;
  • geen metalen delen aan de zuigmond van de slang; plaats een bescherming om de zuigmond (bijv. geleidende rubberen mof)
  • deksels en luiken voorzichtig openen zodat het stof zo min mogelijk in beweging komt en stoten tegen de apparatuur wordt voorkomen;
  • het licht bevochtigen van de stof voor het opzuigen;
  • het gebruik van vonkvrije en antistatische gereedschappen, verlichting en communicatiemiddelen;
  • het dragen van antistatische kleding.

NB. Het thema ‘Explosieveiligheid’ wordt in de komende jaren verder uitgewerkt in de arbocatalogus Orsima.

Wanneer gassen of dampen met explosiegevaar kunnen vrijkomen, moet altijd het volgende worden gedaan:

  • Vooraf overleggen met de opdrachtgever over de risico’s en de te nemen maatregelen en deze vastleggen in de werkvergunning. Het explosieveiligheidsdocument van de opdrachtgever is daarbij van groot belang.
  • Maatregelen nemen om uitstoot te voorkomen of te minimaliseren zoals het opbouwen van een damp retourleiding, discontinu zuigen of het gebruik van koolfilters en/of vloeistof-scrubbers.
  • Maatregelen nemen om de gas/dampconcentratie voortdurend te meten.
  • Er mag alleen worden gewerkt wanneer op de werkplek een gas/dampconcentratie onder de 10% LEL aanwezig is (LEL = Lowest Explosive Limit, oftewel onderste explosiegrens).
  • Aarding van de wagen op de door de opdrachtgever voorgeschreven en goedgekeurde aardingspunten. 
    NB  - Als de hoofdomschakelaar van de wagen wordt uitgeschakeld voor een onderbreking van de werkzaamheden, moet bij de herstart de elektrische procedure weer van begin af aan worden opgestart en helemaal worden doorlopen.
          -  Nadat de werkzaamheden zijn beëindigd, moet als laatste handeling de wagen van de aarding worden losgekoppeld.
          -  Plaats een aardingscontrole apparaat.
  • Gebruik in gezoneerd gebied een gecertificeerde Ohm-slang. Als er meerdere slangen aan elkaar worden gekoppeld, moeten dit allemaal gecertificeerde Ohm-slangen zijn, om goede geleiding te waarborgen. (Bij M-slangen bestaat de kans dat de lading door vonkvorming wordt afgegeven aan de omgeving met alle risico’s van dien.)
  • Beperk de zuigsnelheid door het toerental van de pomp en de onderdruk zo laag mogelijk in te stellen. De mate van elektrostatische oplading is voor een groot gedeelte afhankelijk van de snelheid waarmee het product langs de slangwand of de wand van de tank of laadruimte wrijft.
  • Beperk de valhoogte van de opgezogen stoffen door de laagste zuigaansluiting op de unit te gebruiken. Dit om het opspatten en wervelen zo veel mogelijk te voorkomen.
  • Geen metalen delen aan de zuigmond van de slang; plaats een bescherming om de zuigmond (bijv. een geleidende rubberen mof);
  • Bij aansluiting van de slang op de onderafblaas, dan de slang op een veilige locatie (safe location) laten afblazen.
  • Vaste stoffen vervuild met vloeistoffen en mengsels van stoffen die volgens opgave van de opdrachtgever onder het ADR vallen, mogen alleen met ADR gekeurde wagens worden opgezogen.
  • Voor het opzuigen van stoffen die niet onder het ADR vallen, maar die mogelijke andere risico’s in zich hebben, moet een Taak-Risico-analyse (TRA) worden gemaakt.
  • Er moet altijd rekening worden gehouden met de uitstoot van de afblaas van de pomp. Bij natte druk vacuümwagens worden de dampen door de afblaaspijp zo hoog mogelijk geventileerd zodat de grootste verdunning/opmenging kan plaatsvinden. Desondanks kan er zich plaatselijk een explosieve atmosfeer vormen, die ook op een grote afstand nog explosief kan zijn. Als dit een mogelijkheid is, moet dit vooraf worden besproken met de opdrachtgever. Er moet altijd worden gestreefd naar een werkmethode met de laagste emissie van dampen naar de buitenlucht, zodat de emissie zo gering is dat er geen explosie kan plaats vinden. Houd daarbij rekening met weersinvloeden zoals windrichting door de afblaas te bepalen of te verplaatsen.
    Overige maatregelen:
    • Aansluiting van de afblaas op een damp-retour systeem van de opdrachtgever
    • Uitstootbeperkende technieken toepassen (afblaas “scrubben”)
    • Afblaas op een veilige locatie aflaten (met de slangen het punt van afblaas verplaatsen)

Zie ook de oplossing: Emissie van vluchtige gevaarlijke stoffen.

NB. Het thema ‘Explosieveiligheid’ wordt in de komende jaren verder uitgewerkt in de arbocatalogus Orsima.

De opdrachtgever moet aangeven welke stoffen in het object aanwezig zijn. Op grond daarvan wordt in overleg tussen de werkvoorbereiding van de opdrachtgever en de werkvoorbereiding van het reinigingsbedrijf een werkvergunning of werkopdracht opgesteld En door beide partijen ondertekend.

  • In alle gevallen bij vacuüm reinigen moet een werkvergunning of werkopdracht worden opgesteld. In de werkvergunning of werkopdracht is ondermeer geregeld: welke risico’s, welke werkmethode, benodigde maatregelen tegen eventueel gevaar voor vergiftiging, bedwelming, verstikking, brand of explosie, afspraken over transport, welke PBM’s.
  • Als de eigenschappen van stoffen niet bekend zijn, dan zullen die eerst door analyse moeten worden bepaald, waarna de risico’s van behandeling van deze stoffen kunnen worden vastgesteld .
  • Bij mengsels van stoffen moeten altijd de eigenschappen van de meest risicovolle stof als uitgangspunt worden gekozen.
  • Afsluiters en systemen van de opdrachtgever mogen alleen door de verantwoordelijke medewerker(s) van de opdrachtgever bediend worden of door anderen als dit op de werkvergunning of werkopdracht is vermeld.
  • De werkvergunning of werkopdracht is de basis voor een opdrachtformulier bij de werkzaamheid en voor een werkbespreking voordat de klus start. 
  • Als de werkvergunning of werkopdracht voor een werkzaamheid niet aanwezig is en/ of niet besproken is, dan kan niet met het werk begonnen worden.

Zie ook de oplossingen: Taak risico analyse (TRA) en LMRA.

Het gebruik van adembescherming bij industriële reinigingswerkzaamheden is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden en de risico’s die daaraan verbonden zijn.                           

Selectie
Op basis van een risicoanalyse die de opdrachtgever bij voorkeur samen met het reinigingsbedrijf verricht, wordt vastgesteld welk type adembeschermingsmiddelen bij een specifieke werkzaamheid moet worden gedragen:

A: Afhankelijke adembeschermingsmiddelen en onafhankelijke adembeschermingsmiddelen door ademluchttoevoer met loose fithelm of -kap.

B: Onafhankelijke adembeschermingsmiddelen door autonoom ademluchttoestel of ademluchtlijnsysteem met ademautomaat of
continu flow-masker.

C: Onafhankelijke adembeschermingsmiddelen door ademluchtlijnsysteem met ademautomaat met back-up voorziening en toevoeging van communicatie en vluchtvoorziening (Life Support Unit).

Deze adembeschermingsmiddelen kunnen en mogen slechts gebruikt worden door personen die getraind en gecertificeerd of geregistreerd zijn  en bovendien mogen alleen medewerkers een ademluchtmasker dragen die een ademluchtkeuring bij een (bedrijfs)arts met positief resultaat hebben doorlopen. 

Draagvoorschrift
De gebruiker moet voor het eerste gebruik een ‘Face - Fittest’ doen om er achter te komen of het betreffende type goed past om lekkages te minimaliseren. Dit geldt alleen voor de tight fitting adembeschermingsmiddelen en niet voor de loose fithelm of -kap. 

Inspectie en onderhoud
De gebruiker moet vóór elk gebruik het adembeschermingsmiddel controleren op eventuele beschadigingen van rubbers, glas, toevoerslang e.d.  Alle elementen van een onafhankelijke adembescherming moeten worden gekeurd.

De praktijk kan wel eens anders zijn dan bij de voorbereiding is voorzien. Een LMRA (Laatste Minuut Risico Analyse) is er op gericht om onvoorziene risico’s te achterhalen. HD werkzaamheden beginnen altijd met een uitvoeren van een LMRA. Sommige opdrachtgevers e/of reinigingsbedrijven eisen dat een LMRA schriftelijk wordt vastgelegd.  Daarbij wordt vaak gebruik gemaakt van een LMRA-kaartje. In de sector komen overigens ook andere, bedrijfseigen benamingen voor in plaats van ‘LMRA’.
Een LMRA bestaat uit drie stappen:

  1. Het herkennen van potentiële gevaren
    De medewerker moet zichzelf afvragen of hij tijdens de werkzaamheid aan deze gevaren kan worden blootgesteld, bv blootstelling aan stoffen. Hij moet niet aan het werk beginnen als naar zijn oordeel de risico’s niet aanvaardbaar zijn.
  2. Het bedenken van oplossingen of maatregelen
    De medewerker gaat na of hij maatregelen kan nemen om de risico’s weg te nemen of aanvaardbaar klein te maken. 
  3. Het nemen van de benodigde maatregelen
    De medewerker voert de benodigde maatregelen uit en beoordeelt of hij in de nieuwe situatie veilig en gezond kan werken.

Bij alle drie de stappen kan de medewerker hulp van een collega of leidinggevende inschakelen.
Een LMRA houdt nooit op. Het gaat om een voortdurend bewustzijn om deze drie stappen voorafgaand aan een taak of handeling te doorlopen.

Met name bij werkzaamheden die niet door een werkvergunning of werkopdracht gedekt kunnen worden is het zaak om in de voorbereidende fase een grondige Taak risico analyse (TRA) uit te voeren. Vaak in opdracht van de opdrachtgever.

Een TRA geeft per taak(stap) een beeld van de uit te voeren risico's, de te nemen beheersmaatregelen en de verantwoordelijke voor uitvoering van deze beheersmaatregelen. Een TRA wordt bij voorkeur opgesteld door een team van de opdrachtgever en opdrachtnemer. 

Doel:

Verminderen van fysieke belasting door juist gebruik van de juiste hulpmiddelen

Oplossing:

Door gebruik te maken van hulpmiddelen kan de belasting van de medewerker verminderd worden. Het is dan wel van belang dat de medewerker de juiste hulpmiddelen voor zijn werkzaamheden gebruikt én dat hij ze op de juiste manier gebruikt.

Om dit te bewerkstelligen is het belangrijk dat medewerkers (werk)instructies krijgen over de beschikbare middelen, zodat zij weten waarvoor, wanneer en hoe zij deze kunnen inzetten. Alleen dan zal de lichamelijke belasting afnemen. Daarnaast zal het risico op blessures en ongevallen verminderen door juist gebruik.

  • Geef altijd instructies, liefst fysiek én schriftelijk, aan medewerkers bij aanschaf van nieuwe hulpmiddelen zodat de medewerkers deze veilig en gezond gebruiken.

  • Betrek medewerkers bij de aanschaf van hulpmiddelen zodat de voor hen juiste middelen aangeschaft worden. Tevens is de acceptatie groter wanneer medewerkers actief betrokken worden bij aanschaf. Dit zorgt er ook voor dat zij de middelen meer en beter gebruiken.

  • Evalueer regelmatig het (juiste) gebruik van de hulpmiddelen. Herhaal de instructies bij onjuist gebruik.

  • Controleer hulpmiddelen regelmatig op gebreken.

Gevolg:

Vermindering van lichamelijke klachten door een verlaagde fysieke belasting

Pagina's

Abonneren op RSS - Vacuüm reinigen