Hogedruk reinigen

Wat is het?

Hogedruk reiniging wordt met name toegepast tijdens onderhoudswerkzaamheden aan installaties, opslagtanks, schepen of fabrieken en bij het opheffen van storingen, zoals vervuilingen en verstoppingen. Hierbij wordt veelal gebruik gemaakt van hogedruk waterstraalinstallaties. Onder hogedruk wordt doorgaans verstaan een werkdruk hoger dan 250 bar of, wanneer het pompvermogen meer dan 10 kW is, bij een werkdruk van meer dan 25 bar.

OplossingenFysieke belastingGeluidGevaarlijke stoffen
BronInzet volautomatische gemechaniseerde reinigingsmachinesMinst belastende methode van hogedruk reinigenMinst belastende methode van hogedruk reinigen
 Gemechaniseerd reinigen  
TechnischHandmatig reinigen met krachtopvangAfschermingGeschikte spuitplaats
 Aanleggen vaste leidingenDrukverlagingWerken in een ruimte met gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand en explosie (Hogedruk reinigen)
 Elektrisch spuitpistool bij handmatig reinigenObject open zettenWerken met toevoegmiddelen
 Schoudersteun bij handmatig reinigen Explosiegevaar
OrganisatorischGoede voorbereidingStopregel bij 110 dB(A)LMRA
 Taakcombinatie / taakroulatieAfstand nemen van geluidsbronTaak risico analyse (TRA)
 Opleiden ergocoachesTaakroulatieWerkvergunning of werkopdracht (Hogedruk reinigen)
 Toezicht op gezond werkgedrag  
PersoonsgebondenTraining fysieke belastingGehoorbescherming 
 Goed gebruik van hulpmiddelen  
PBM  Handschoenen
   Persoonlijke beschermingsmiddelen algemeen (Hogedruk reinigen)
   Spuitlaarzen of overzetkappen
   Adembescherming
   Beschermende kleding/spuitpak
   Gelaatsscherm
 

Voorbeelden van oplossingen voor Fysieke belasting bij Hogedruk reinigen

Technisch

  1. Inzet volautomatische gemechaniseerde reinigingsmachines (bronaanpak)
  2. Gemechaniseerd reinigen (bronaanpak)
  3. Handmatig reinigen met krachtopvang
  4. Aanleggen vaste leidingen
  5. Schoudersteun bij handmatig reinigen
  6. Elektrisch spuitpistool bij handmatig reinigen

Organisatorisch

  1. Goede voorbereiding
  2. Taakcombinatie / taakroulatie
  3. Opleiden ergocoaches
  4. Toezicht op gezond werkgedrag

Persoonsgebonden

  1. Training fysieke belasting
  2. Goed gebruik van hulpmiddelen

Voorbeelden van oplossingen voor Geluid bij Hogedruk reinigen

Bron

  1. Minst belastende methode van hogedruk reinigen

Technisch

  1. Afscherming
  2. Drukverlaging
  3. Object open zetten

Organisatorisch

  1. Stopregel bij 110 dB(A)
  2. Afstand nemen van geluidsbron
  3. Taakroulatie

Persoonsgebonden

  1. Gehoorbescherming

Voorbeelden van oplossingen voor Gevaarlijke stoffen bij Hogedruk reinigen

Bron

  1. Minst belastende methode van hogedruk reinigen

Technisch

  1. Geschikte spuitplaats
  2. Werken in een ruimte met gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand en explosie (Hogedruk reinigen)
  3. Explosiegevaar
  4. Werken met toevoegmiddelen

Organisatorisch

  1. Werkvergunning of werkopdracht (Hogedruk reinigen)
  2. Taak risico analyse (TRA)
  3. LMRA
  4. Werken in een ruimte met gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand en explosie (Hogedruk reinigen)
  5. Explosiegevaar

PBM

  1. Persoonlijke beschermingsmiddelen algemeen (Hogedruk reinigen)
  2. Beschermende kleding/spuitpak
  3. Spuitlaarzen of overzetkappen
  4. Gelaatsscherm
  5. Handschoenen
  6. Adembescherming

Het gebruik van adembescherming bij industriële reinigingswerkzaamheden is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden en de risico’s die daaraan verbonden zijn.                           

Selectie
Op basis van een risicoanalyse die de opdrachtgever bij voorkeur samen met het reinigingsbedrijf verricht, wordt vastgesteld welk type adembeschermingsmiddelen bij een specifieke werkzaamheid moet worden gedragen:

A: Afhankelijke adembeschermingsmiddelen en onafhankelijke adembeschermingsmiddelen door ademluchttoevoer met loose fithelm of -kap.

B: Onafhankelijke adembeschermingsmiddelen door autonoom ademluchttoestel of ademluchtlijnsysteem met ademautomaat of
continu flow-masker.

C: Onafhankelijke adembeschermingsmiddelen door ademluchtlijnsysteem met ademautomaat met back-up voorziening en toevoeging van communicatie en vluchtvoorziening (Life Support Unit).

Deze adembeschermingsmiddelen kunnen en mogen slechts gebruikt worden door personen die getraind en gecertificeerd of geregistreerd zijn  en bovendien mogen alleen medewerkers een ademluchtmasker dragen die een ademluchtkeuring bij een (bedrijfs)arts met positief resultaat hebben doorlopen. 

Draagvoorschrift
De gebruiker moet voor het eerste gebruik een ‘Face - Fittest’ doen om er achter te komen of het betreffende type goed past om lekkages te minimaliseren. Dit geldt alleen voor de tight fitting adembeschermingsmiddelen en niet voor de loose fithelm of -kap. 

Inspectie en onderhoud
De gebruiker moet vóór elk gebruik het adembeschermingsmiddel controleren op eventuele beschadigingen van rubbers, glas, toevoerslang e.d.  Alle elementen van een onafhankelijke adembescherming moeten worden gekeurd.

Handschoenen moeten bescherming geven tegen:

  • het opspattend spuitwater.
  • het product (vervuiling) dat door het reinigen vrijkomt; de handschoenen moeten bestand zijn tegen deze stoffen. 
  • de eventuele toevoegmiddelen bij het spuitwater.

Daarnaast moeten ze, als het gaat om gevaarlijke stoffen; 

  • voorzien zijn van een lange schacht voor een goede aansluiting op het spuitpak, zodat er geen spuitwater op de huid kan komen, via de schacht van de handschoen of via de mouw van het spuitpak.

Selectie

  • zorg dat medewerkers handschoenen dragen die bestand zijn tegen de stoffen die vrijkomen bij de betreffende werkzaamheid en die aan de overige bovenstaande eisen voldoen.
  • een goede grip is ook van belang.
  • handschoenen zijn CE-gemarkeerd en voldoen aan NEN-EN-ISO 374.

Draagvoorschrift 
Het beste is onder de mouw zodat spuitwater van de mouw af kan lopen. Vaak zijn spuitpakken voorzien van een elastiek of worden de overgangen afgeplakt.

Inspectie 

  • Voor en na gebruik dienen de handschoenen door de medewerker te worden geïnspecteerd. Bij scheuren of ernstige vervuiling dienen de handschoenen te worden vervangen.

Bij het handmatig of mechanisch HD-reinigen met bediening binnen het spuitgebied zonder fysieke afscherming, moet gebruik gemaakt worden van een gelaatsscherm.

Het gelaatsscherm moet:

  • bescherming bieden tegen opspattend water en verontreinigen.
  • zodanig van afmeting zijn dat het gezicht volledig wordt beschermd.
  • CE-gemarkeerd zijn. 

Draagvoorschrift

  • Tijdens de HD-werkzaamheden moet gewerkt worden met het gelaatsscherm naar beneden.
  • Sommige opdrachtgevers verplichten om een veiligheidsbril onder het gelaatsscherm te dragen. 
  • Voor brildragende spuiters/operators geldt dat als zij onder het gelaatscherm een bril moeten dragen vanwege het gezichtsvermogen, dat dit een veiligheidsbril op de juiste sterkte moet zijn.

Inspectie

  • Voor gebruik dient een gelaatsscherm door de medewerker te worden geïnspecteerd. Bij schade aan het scherm dient het PBM te worden vervangen. 

Als het gaat om gevaarlijke stoffen moeten de spuitlaarzen of veiligheidslaarzen met overzetkappen bestand zijn tegen de eigenschappen van het te verwijderen vuil en de toevoegmiddelen in het spuitwater;
De fabrikant/leverancier kan informatie aanleveren over spuitlaarzen of overzetkappen die bestand zijn tegen de betreffende stoffen.

Draagvoorschrift
De spuitlaarzen moeten onder de broekspijpen van een spuitpak worden gedragen.

Inspectie en onderhoud 
Spuitlaarzen moeten geregeld gereinigd en geïnspecteerd worden op slijtage en lekkage. Het is aan te bevelen dat spuitlaarzen dagelijks, voorafgaand aan de HD-werkzaamheden, visueel worden geïnspecteerd. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om een reinigings-, inspectie- en onderhoudsprogramma op te stellen, in overeenstemming met de voorschriften van de leverancier, en dit programma ook uit te voeren.

Afhankelijk van de te verrichten werkzaamheid wordt bij mogelijke blootstelling aan gevaarlijke stoffen een overall of een spuitpak gedragen. De werkvergunning of werkopdracht, of de werkprocedure van het reinigingsbedrijf geeft daar uitsluitsel over. Binnen de afzetting (op 6 meter afstand) zijn de PBM (zoals de beschermende kleding) verplicht, buiten de afzetting niet.

Een spuitpak moet volledige bescherming geven tegen nat worden en moet bestand zijn tegen:

  • het opspattend spuitwater;
  • het product (vervuiling) dat door het reinigen vrijkomt;
  • de eventuele toevoegmiddelen bij het spuitwater.

Selectie
Bij de selectie van een spuitpak moet zorgvuldig gekeken worden naar de aard en de omstandigheden van de HD-werkzaamheden. Met name de chemicaliën waaraan men bloot staat zijn bepalend voor de keuze van het juiste spuitpak. De leverancier van spuitpakken kan hierover informatie verschaffen. De spuitpakken moeten als het gaat om gevaarlijke stoffen voldoen aan EN 943-1 en 14605 en zijn CE-gemarkeerd.

Draagvoorschrift
De broekspijpen van een spuitpak moeten over de spuitlaarzen worden gedragen.

Inspectie en onderhoud 
Spuitpakken die hergebruikt worden moeten geregeld gereinigd en geïnspecteerd worden op slijtage en lekkage. Bij schade aan de kleding dient het PBM te worden vervangen. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om een reinigings-, inspectie- en onderhoudsprogramma op te stellen, in overeenstemming met de voorschriften van de leverancier, en dit programma ook uit te voeren.

Het is zaak om zoveel mogelijk maatregelen te nemen die de blootstelling aan gevaarlijke stoffen terugdringen. Toch zal het in de meeste gevallen nodig zijn om persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) te verstrekken en te dragen. Deze PBM’s zijn CE-gemarkeerd en dienen conform de  Europese verordening 2016/425 te zijn gecertificeerd.  Met het oog op gevaarlijke stoffen gaat het met name om:

  • Beschermende kleding/spuitpak
  • Spuitlaarzen/overzetkappen
  • Gelaatsscherm
  • Handschoenen
  • Ademhalingsbeschermingsmiddelen

Deze persoonlijke beschermingsmiddelen worden in de volgende oplossingen verder uitgewerkt.

NB. Binnen de afzetting (op 6 meter afstand) zijn de PBM verplicht, buiten de afzetting niet.

Wanneer het te reinigen product (afval) erg taai of plakkerig is kan men toevoegmiddelen gebruiken, zoals zepen en ontvettingsmiddelen. Als gewerkt wordt met toevoegmiddelen zijn er naast de risico’s van het te reinigen product nog extra risico’s voor inademing en blootstelling van de huid. Daarom moeten de hogedrukinstallatie en alle HD-slangen en -componenten geschikt zijn voor gebruik van het voorgeschreven toevoegmiddel. Aan de hand van gegevens van de opdrachtgever over een specifieke werkzaamheid dienen de juiste toevoegmiddelen, slangen en componenten te worden bepaald om ongewenste reacties en blootstelling te voorkomen.

Verder gelden de volgende voorschriften:

  • Het is verboden te spuiten met een stof die vluchtige bestanddelen (oplosmiddelen) bevat.
  • Het toevoegen van middelen aan het spuitwater kan de kans op statische elektriciteit vergroten. Houd er rekening mee dat aarding niet volledig kan voorkomen dat waternevel statisch worden opgeladen. Maak steeds een afweging of een toevoegmiddel moet worden gebruikt, of dat voor duurverlenging kan worden gekozen, zonder toevoegmiddel.
  • Als aan het spuitwater stoffen worden toegevoegd, moet rekening worden gehouden met het effect van de verspreiding van deze stoffen. Daarom moeten de beschermingsmaatregelen zoals vermeld op het Veiligheidsinformatieblad van de stof, met name de maatregelen die vernoemd staan bij het verdund vernevelen.
  • Het is verboden te spuiten met een stof die meer dan 1% kwarts of een andere vorm van vrij kristallijn siliciumdioxide bevat. 

Wanneer gassen of dampen met explosiegevaar kunnen vrijkomen, moet altijd het volgende worden gedaan:

  • Vooraf overleggen met de opdrachtgever over de risico’s en de te nemen maatregelen en deze vastleggen in de werkvergunning. Het explosieveiligheidsdocument van de opdrachtgever is daarbij van groot belang.
  • Maatregelen nemen om de gas/dampconcentratie voortdurend te meten.
  • De hogedrukinstallatie aarden met een aardkabel op een goedgekeurd aardingspunt dat door de opdrachtgever is toegewezen.
  • Er mag alleen worden gewerkt wanneer op de werkplek een gas/dampconcentratie onder de 10% LEL aanwezig is. In een explosieve zone moeten ook de maatregelen genomen worden die in het Explosieveiligheidsdocument voor de ruimte zijn beschreven. Eventueel kan overwogen worden om de ruimte te inertiseren bij twijfel over de mogelijk sterk stijgende LEL-waarden tijdens het omwoelen van de vloeistof of het slib. (Inertiseren is toevoeging van een inert gas zoals stikstof om een onbrandbare atmosfeer te verkrijgen). Er mag dan geen betreding meer plaats vinden voor de HD-werkzaamheden, tenzij doeltreffende maatregelen getroffen die passen bij de betreffende omstandigheden, zoals een automatische HD-methode toepassen, inertiseren, ventileren e.d.

NB. Het thema ‘Explosieveiligheid’ wordt in de komende jaren verder uitgewerkt in de arbocatalogus Orsima.

In sommige ruimten is er door de aanwezigheid of het vrijkomen van gevaarlijke stoffen, gassen of dampen een gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie. In een werkvergunning of werkopdracht  is aangegeven of bij de beschreven werkzaamheden deze risico’s aan de orde zijn.
(Zie voor explosiegevaar de volgende oplossing).

Het hogedruk reinigen aan of in zo’n ruimte moet zoveel mogelijk plaats vinden met methodes met een zo laag mogelijk risico, zoals volautomatisch tankreiniging of met de tankwaskop. Daarbij gelden de volgende voorschriften:

  • Voordat zo’n ruimte wordt betreden moet op basis van een risicobeoordeling een schriftelijke werkvergunning of werkopdracht worden verstrekt die  in overleg is opgesteld en door zowel de opdrachtgever als  het reinigingsbedrijf is ondertekend.  Daarin wordt onder meer aandacht besteed aan de mogelijke risico’s in verband met gevaarlijke stoffen (bedwelming, verstikking, vergiftiging, brand en/of explosie).  En het bevat een overzicht van de te nemen maatregelen, afgestemd op de specifieke werkzaamheden en risico’s. Denk daarbij bijvoorbeeld ook aan roestvorming bij wanden die kan losgaan bij reiniging voor een gevaarlijke atmosfeer kunnen zorgen. En ook het risico van versneld uitdamping door verhoogde water temperatuur bij (nat) reinigen. In zo’n ruimte mag uitsluitend gewerkt worden door medewerkers die in het bezit zijn van een aantoonbare deskundigheid en vakbekwaamheid die overeenstemmen met de aard en risico’s van de werkzaamheden. Aanvullend kunnen ook opleidingscertificaten vereist zijn, zoals opgenomen in de SSVV opleidingengids, bijvoorbeeld: Opleiding Adembescherming A, B of C. De werkgever van het reinigingsbedrijf dient vast te leggen welke opleiding en training voor de diverse soorten werkzaamheden vereist zijn en ook welke medewerkers deze met succes gevolgd hebben.
  • Voor werkzaamheden in dergelijke ruimten moet een reddingsplan aanwezig zijn dat gevolgd moet worden bij calamiteiten (zie Arbobesluit artikel 3.5g lid 4). Het reddingsplan beschrijft maatregelen, activiteiten en voorzieningen die een bedrijf heeft voorbereid om de effecten van calamiteiten of ongewenste gebeurtenissen te minimaliseren en te bestrijden. Het reddingsplan moet aanwezig zijn op de werkplek en bij de buitenwacht. Alle betrokkenen moeten goed met de inhoud van het reddingsplan bekend zijn. Het reddingsplan moet zijn afgestemd op het noodplan van de opdrachtgever en situatie-specifiek zijn uitgewerkt.
    Bij de toegang tot zo’n ruimte met permanent één persoon aanwezig zijn om in geval van nood de noodstop te bedienen en alarm te slaan en -bv als het slachtoffer niet reageert- om hulpdiensten in te schakelen. Tussen deze persoon en de spuiter/operator in de ruimte moet bij voorkeur visueel contact te zijn. Als er geen visueel contact mogelijk is of niet tijdens de gehele werkzaamheid, dan moet vooraf worden vastgelegd hoe contact gehouden wordt, bv met radiocontact, fluitje, luchthoorn of ander communicatiemiddel. Deze persoon die de noodstop bedient mag ook de functie van buitenwacht vervullen, als hij daarvoor een geldig SSVV-certificaat heeft en de opdrachtgever daarmee akkoord is. De buitenwacht/mangatwacht gaat bij een incident nooit de ruimte in maar zal alarm slaan op een manier die van te voren is vastgelegd. Wanneer de ruimte niet veilig kan worden gegeven kan de ruimte alleen betreden worden met onafhankelijke adembescherming om de toestand van het slachtoffer te bepalen en zo nodig Eerste Hulp te verlenen. Als de medewerker niet aanspreekbaar is moet door daartoe opgeleide bedrijfshulpverleners getracht worden de medewerker uit de onveilige ruimte te verplaatsen en eerste hulp buiten de ruimte te verlenen tot de hulpdiensten arriveren. Houd er rekening mee dat het slachtoffer bij redding via een driepoot of takel kan kantelen in zijn veiligheidsharnas. Hierdoor kan bij onoplettendheid letsel toegebracht worden door obstakels.
  • Bij handmatig reinigen in zo’n ruimte mag de reactiekracht niet meer bedragen dan 150 Newton.
  • De in deze ruimte toegepaste elektrische apparatuur moet waterdicht zijn, van  een ‘veilige spanning’ zijn (maximaal 50 volt bij wisselspanning en maximaal 120 volt bij gelijkspanning) en explosieveilig zijn (de apparatuur moet voldoen aan de uitvoeringseisen voor toepassing in de betreffende zone, conform de eisen van de opdrachtgever).
  • Omdat door de aanwezigheid van vloeistoffen of slib gassen kunnen vrijkomen moet vóór betreding van deze ruimte met gas- en zuurstofmetingen worden nagegaan of de ruimte betreden mag worden. Daarbij speelt de zogenaamde ‘LEL’ een rol (LEL = Lowest Explosive Limit, oftewel onderste explosiegrens). Als er kans is dat de 10% LEL-grens wordt overschreden en/of de maximale toegestane concentratie schadelijke stoffen en/of het zuurstofpercentage onder de 20% komt, moet het werk worden stilgelegd en met de opdrachtgever worden overlegd hoe er veilig gewerkt kan worden, zodat deze grenzen blijvend niet worden overschreden: een andere reinigingsmethode kiezen, inertiseren, (geforceerd) ventileren e.d. 
    In de werkvergunning of werkopdracht staat omschreven hoe, met welke meter, hoe vaak, door wie en waar gemeten moet worden. Dat is per situatie anders. De vrijgavemeting moet altijd door een gasmeetdeskundige worden uitgevoerd en afgelezen.
  • Als er aanwijzingen zijn dat de omstandigheden zich ongunstig kunnen wijzigen, bv tijdens het omwoelen van vloeistoffen of slib, moeten aanvullende maatregelen worden vastgesteld, bv adembescherming. Dit wordt vastgesteld in overleg tussen de opdrachtgever en de arbodeskundige van het reinigingsbedrijf. Deze risico’s en aanvullende maatregelen moet op de werkvergunning worden vermeld.

De praktijk kan wel eens anders zijn dan bij de voorbereiding is voorzien. Een LMRA (Laatste Minuut Risico Analyse) is er op gericht om onvoorziene risico’s te achterhalen. HD werkzaamheden beginnen altijd met een uitvoeren van een LMRA. Sommige opdrachtgevers e/of reinigingsbedrijven eisen dat een LMRA schriftelijk wordt vastgelegd.  Daarbij wordt vaak gebruik gemaakt van een LMRA-kaartje. In de sector komen overigens ook andere, bedrijfseigen benamingen voor in plaats van ‘LMRA’.
Een LMRA bestaat uit drie stappen:

  1. Het herkennen van potentiële gevaren
    De medewerker moet zichzelf afvragen of hij tijdens de werkzaamheid aan deze gevaren kan worden blootgesteld, bv blootstelling aan stoffen. Hij moet niet aan het werk beginnen als naar zijn oordeel de risico’s niet aanvaardbaar zijn.
  2. Het bedenken van oplossingen of maatregelen
    De medewerker gaat na of hij maatregelen kan nemen om de risico’s weg te nemen of aanvaardbaar klein te maken. 
  3. Het nemen van de benodigde maatregelen
    De medewerker voert de benodigde maatregelen uit en beoordeelt of hij in de nieuwe situatie veilig en gezond kan werken.

Bij alle drie de stappen kan de medewerker hulp van een collega of leidinggevende inschakelen.
Een LMRA houdt nooit op. Het gaat om een voortdurend bewustzijn om deze drie stappen voorafgaand aan een taak of handeling te doorlopen.

Pagina's

Abonneren op RSS - Hogedruk reinigen